Bericht van Inlia: Christelijke familie uit Pakistan procedeert voor hun leven – Deel 1

Eén misstap en je wordt beschuldigd van blasfemie

Asielzoekers die maar door blijven procederen; het is een bekend verwijt. De familie Masih blééf inderdaad procederen. Want terugkeer naar Pakistan was levensgevaarlijk voor hen als christenen, beschuldigd van het beledigen van de Koran.

“We hadden al besloten zelfmoord te plegen als we terug zouden moeten”, Omar Masih zegt het feitelijk, geen spoortje van drama. “Weet je wat ze in Pakistan doen met christelijke vrouwen die de Koran of de Profeet beledigd zouden hebben? Die worden geslagen, verkracht en naakt door de straten gevoerd. En dan meestal doodgemaakt. Dat is normaal daar.” Dan liever zelf de dood kiezen. Zover kwam het gelukkig niet.

Het verhaal van de familie Masih begint in 2014. De dan 29-jarige Omar heeft een boekwinkel in Faisalabad, de derde stad van Pakistan. De winkel, 36 jaar eerder geopend door zijn vader, staat in de buurt waar hij opgroeide. Omar kent de mensen, de mensen kennen hem. Hij is geliefd. Vader is overleden, moeder leeft nog en woont bij Omar en zijn echtgenote in.

Het welgestelde gezin behoort tot de minieme christelijke minderheid in de islamitische republiek. In de buurt zijn er geen religieuze spanningen. “We leefden met en tussen de moslims.” Omar verkoopt graag Korans: commercieel aantrekkelijk, want ze verkopen goed en er zit een mooie winstmarge op. Als hij een Koran pakt, wast hij eerst zijn handen. Om respect te tonen. Niets wijst erop dat het op 16 oktober 2014 helemaal mis zal gaan.

Die dag zijn er boeken geleverd. Ze staan in stapels op de grond als een islamitische geestelijke binnenstapt. Hij vraagt om een boek dat bovenin de kast staat en Omar gebruikt een van de stapels als opstapje. Letterlijk een misstap: op de stapel ligt een Koran. De man ontsteekt in woede. Hij scheldt en slaat. Er komt publiek op af. De man roept hen op mee te doen. Omar wordt geslagen, geschopt. Een bevriende winkelier helpt hem via de achterdeur te ontkomen.

Het is de enige die durft te helpen. Omar is er nóg door geschokt: “Iedereen daar kende me, heeft me zien opgroeien.” Hij vlucht, eerst naar huis, dan met vrouw en moeder halsoverkop verder naar schoonfamilie. Want inmiddels rukt een woedende meute op naar zijn huis. De winkel is dan al in brand gestoken. Pand en inventaris gaan in vlammen op. Het huis wordt aan gort geslagen.

Na twee dagen belt zijn zus uit een andere stad, smekend: “Kom hiernaartoe, je wordt daar vermoord.” Het gevaar is reëel. En inmiddels is er ook nog aangifte gedaan wegens het beledigen van de Koran. Daar staat de doodstraf op. Getuige bijvoorbeeld de zaak van Asia Bibi (in 2010 tot de doodstraf veroordeeld, kreeg uiteindelijk asiel in Canada) of die van hoogleraar Hafeez (veroordeeld voor belediging van de vrouwen van de Profeet, zijn advocaat werd doodgeschoten). In Pakistan zitten tientallen mensen in de dodencel voor dit soort veroordelingen.

Twee maanden lang schuilt het gezin bij de zus, opgesloten in huis. Ondergedoken. Niemand mag weten dat ze daar zijn. Het is een onhoudbare situatie. Via via hoort Omar van iemand die hem naar het buitenland kan helpen zonder dat de autoriteiten er lucht van krijgen. Het geld leent hij van zijn zwager. Zelf heeft hij niks meer. De man brengt hen de grens over en regelt een vlucht naar Nederland. Eindelijk veilig, denken de Masihs opgelucht.

In deel twee van dit verhaal de wederwaardigheden met het Nederlandse asielsysteem; krijgt de familie Masih inderdaad asiel en een veilige toevluchthaven?