Bericht van Inlia: Kop d’r veur op z’n Burundees

Ze zijn deze maand op de kop af 18 jaar in Nederland, de Burundese Sophie en haar dochter Solange. 18 jaar van onzekerheid en steeds weer verkassen. Toch is Sophie al 9 jaar vrijwilliger in een zorgcentrum en is Solange bijna klaar met haar studie HR-management. Kop d’r veur heet dat in Groningen, hoe zeg je dat eigenlijk in Burundi?

“Als je een kind hebt, wil je dat het veilig opgroeit”, zegt Sophie. Daarom is ze destijds met haar dochter gevlucht. Het is oorlog in Burundi in 2003 en de dan 7-jarige Solange heeft dingen gezien “die je als kind niet hoort te zien”. “Mannen die uit het niets kwamen en dingen deden met mama.” Ze bijt op haar lippen en schudt haar hoofd, alsof ze de beelden er wil uit schudden.

Met een groepje mensen ontvluchten ze het kleine dorp. Waarheen weten ze niet. Weg. Door, door, door. Tot ze uiteindelijk in Nederland belanden. Geen idee waar ze zijn. Mensen wijzen hen de weg naar de politie en zo komen ze eerst in een aanmeldcentrum en dan in een tijdelijke opvang terecht. Een tentenkamp.

“Wij dachten: we zijn thuis, we zijn veilig”, Sophie lacht om haar eigen naïviteit van toen. Want thuis zijn ze nog lang niet in het tentenkamp. In de jaren die volgen is het steeds een half jaar hier, een paar jaar daar, wat jaren wéér elders en ga zo maar door. Ze zitten in 2007 onder meer 8 maanden in het Vertrekcentrum in Vught. “Geen plezierige omgeving”, zegt Sophie, “Veel stress.” Solange mag er niet naar school. Het is een grote straf voor het meisje.

Omdat Burundi medewerking weigert, wordt Sophie langs andere ambassades gestuurd. Die van Tanzania bijvoorbeeld. Als alle opties zijn uitgeput krijgen ze geen verblijfsvergunning, maar worden ze op straat gezet. Zonder pardon. Ook zonder generaal pardon, want daarvoor komen ze dan niet in aanmerking; niet lang genoeg hier.

Ze krijgen hulp van mensen uit azc’s die inmiddels een verblijfsvergunning hebben. Zo trekken ze rond, hun leven in boodschappentassen. Ergens tijdens al dat verkassen raakt Sophie haar identiteitskaart kwijt. Dat komt moeder en dochter duur te staan als ze door de politie worden gecontroleerd. Ze worden vastgezet.

Solange is 14 jaar oud. Ze huilt, die eerste nacht alleen in de cel. Daarna plaatsen ze haar moeder maar bij haar. Een week lang zitten ze vast, tot een advocaat hen vrij krijgt. Nou ja vrij; ze moeten naar het Vertrekcentrum Ter Apel. Wederom zonder resultaat: na 1,5 jaar worden Sophie en Solange opnieuw op straat gezet. Dat is het moment dat ze bij INLIA terecht komen.

Er volgt een nieuwe aanvraag. Weg kunnen ze immers niet, dus wil Sophie dat haar kind hier een toekomst kan opbouwen. Een beroep op het Kinderpardon wordt afgewezen; Sophie en Solange zijn ‘buiten Rijkstoezicht’ geweest omdat ze niet meer in een azc of vertrekcentrum zaten. Dat het Rijk hen zelf op straat heeft gezet, doet er niet toe. Evenmin dat onder meer de burgemeester en de school verklaren waar ze de hele periode waren.

Ook bij de afsluitingsregeling van het Kinderpardon vallen moeder en dochter buiten de boot. Sophie doet dan al jaren vrijwilligerswerk in de ouderenzorg: wandelingetjes, gezellige middagen met hapjes en drankjes, spelletjes doen, helpen met eten geven. Collega’s en de instelling verklaren erover, maar ook dat doet er niet toe. De reden is dit keer dat haar identiteit niet vaststaat omdat het identiteitsbewijs kwijt is.

Moeder en dochter gaan in beroep. 13 januari van dit jaar moeten ze op het kantoor van de IND verschijnen. Solange bereidt het eindeloos voor. Want wat als ze het antwoord op een vraag niet weet? Ze moet er niet aan denken. Eenmaal daar blijken de vragen heel makkelijk: “Wat studeer je, wat zijn je hobby’s? Aan mama vroegen ze welk vrijwilligerswerk ze deed.”

En dan komt de vraag “Hoe voel je je?” aan Solange. “En ik voel heel veel, het meeste is niet zo goed. Ik werd emotioneel.” Ze moet huilen. Ze ziet dat de man geraakt is. Een moment van onverwacht contact tussen twee mensen. Maar Solange weet beter dan daar hoop aan te verbinden. Een besluit zal 6 nagelbijtende weken op zich laten wachten, horen ze.

Een week later kijken moeder en dochter naar de inauguratie van Joe Biden, als de advocaat belt. Kun je even je email openen, vraagt ze. Solange doet het met trillende vingers. Ze leest, ze huilt. Met grote uithalen. Sophies moed zinkt in haar schoenen. En dan leest ook zij het: ze hebben een verblijfsvergunning. Solange springt door de kamer, kan niet ophouden. “Mijn hart ontplofte.”

9 februari mogen ze hun pasje ophalen in Zwolle. Het is de eerste echt koude week in tijden, vol sneeuw. Op de terugweg komt de trein vast te staan. “Het maakte ons niet uit”, lacht Solange, “Onze dag kon toch niet stuk.” Uren hebben ze gelukzalig naar hun pasjes gekeken.

“Het is heel gek om ineens mogelijkheden te hebben. Om na te kunnen denken over wat je wil. Voorheen werd je wakker en dacht je ‘wat gaat er vandaag weer gebeuren?’ Nu kijk ik heel anders tegen het leven aan”, zegt Solange.

Haar moeder luistert met een grote glimlach. Eindelijk gelukt.