Overdenking zondag 10 mei

Ik heb wel een aantal bergen gezien. Heb zelfs bergen beklommen. Maar nooit in een woestijn. Waar het begin van de berg meteen duidelijk is. Geen bomen, geen struiken, opeens gaat het omhoog. En vanuit de woestijn kan je dan de top van de berg zien.

Dat is altijd indrukwekkend. De top van de berg. In Tanzania keken we altijd naar de top van Kilimanjaro. Als een wachter die over je waakt. Soms helder, soms in de wolken.

Het volk Israël heeft Egypte verlaten. Het slavenbestaan. Het is op weg naar het beloofde land. Land van vrijheid. Daartussen ligt de woestijn. Met alles wat daarbij hoort: honger, dorst. Oases met palmbomen en water. De dagen zullen op elkaar geleken hebben. Steeds weer hetzelfde. En nu na twee maanden zijn ze bij de berg. De berg waar het allemaal begon. Toen zij nog slaven waren, heeft God zich hier aan Mozes geopenbaard. Hij heeft hem hier geroepen om leider van het volk te zijn. Om naar farao te gaan en de vrijlating van het volk te eisen.

Nu zijn ze terug. Mozes en het volk.

  1. Exodus 19: 3-8

Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over.

Ik wil er deze keer twee dingen uithalen, die opvallen, als je heel het hoofdstuk op je in laat werken.

  1. God is de totaal andere. Hij is de heilige. Het volk moet zich voorbereiden op de verschijning van God. Ze moeten zich wassen en reinigen. En ze mogen niet de berg beklimmen. Dat kan alleen Mozes. Ze kunnen wel de rook zien, de bliksem, de donder horen. Het is zo indrukwekkend, dat 1,5 meter te weinig is. Het volk blijft op grote afstand. Als Gods stem klinkt, de horens schallen. Dan kunnen hun oren daar niet tegen. Mozes moet ook maar hun oren en stem zijn. Een tussenpersoon.

God verschijnt op vele manieren aan mensen. In een visioen, in een droom. Als mens. Jezus de Zoon van God wordt als een gewoon kind geboren. Hij wandelt tussen de mensen. Aan Hem gingen de mensen gewoon voorbij. Twee keer gaat God aan mensen voorbij: aan Mozes en Elia. Twee keer op deze berg. Niet in zijn heerlijkheid. God blijft verborgen. Als God zich hier aan het volk openbaart: de mensen kunnen er niet tegen. Ook al zien ze God zelf niet. Zijn heerlijkheid is te groot.

Je kunt veel beelden van God hebben. Dit is er ook één. De geweldige. De heilige. Waarbij je als mens op afstand blijft. God die totaal anders is. Zo ontzaglijk groot. Zo onnoemlijk geweldig. Dat is onze God. Dat is jouw Vader. Laten we dit indrukwekkende van Gods verschijning niet vergeten.

  1. Het volk is al even onderweg. Het heeft geklaagd, zich uiteindelijk geschikt. En het heeft gekregen. God heeft steeds voor het volk gezorgd. Ze hebben de macht van God gezien. En gemerkt hoe Hij hen telkens heeft beschermd.

Het beeld is dan een arend. Een imposante roofvogel. Die als hij glijdt met zijn vleugels ontzettend groot is. Jullie hoefden niets te doen, Ik heb je als op vleugels gedragen. Dat was natuurlijk niet echt zo. Een arend kan haar jongen niet op haar vleugels dragen. Ze hebben zelf gelopen. Maar God ging voor hen uit. Hij was achter hen. Ze hadden het net met de aanval van Amalek nog gemerkt.

God heeft drie benamingen voor zijn volk: 1. Een geweldige schat. 2. Een koninkrijk van priesters en 3. een heilige natie

  1. Voor God is het volk kostbaar. Een geweldige schat. Niet het individu, maar het volk in zijn geheel. Dat heeft Hij uitgekozen om te beschermen. Misschien heb jij zelf ook iets dat kostbaar is, dat dierbaar is. De gevoelens die je dan voelt: God kijkt zo naar zijn volk
  2. Ze zijn voor Hem een volk van priesters. God heeft al veel meegemaakt met het volk. En toch: zij dienen Hem. Zoals priesters bij een heiligdom. Een volk om God te vertegenwoordigen op de aarde. Dat is dat koninklijke: om te heersen door te dienen.
  3. Een volk apart van alle andere volken. Niet omdat het volk nou zo bijzonder is. Zoveel beter dan de andere volken. Ze konden in elk geval goed klagen ….

God zet het volk apart omdat Hij het wil. Heel de wereld is al van Hem. Dit is zijn volk, het volk waaraan Hij zich verbindt.

Dat vind ik  het tweede dat opvalt. Naast Gods heerlijkheid: God spreekt het volk als geheel aan. En met hen sluit Hij een verbond. Een verbond, dat bij Adam begonnen is. Dat via Noach, via Abram gaat. En nu hier bij de berg: God verbindt zich aan mensen. Aan een heel volk.

Niet jij bent een parel in Gods hand, maar wij zijn Gods schat …

Petrus gebruikt later precies deze woorden: een koninkrijk van priesters, een heilige natie. (1 Petr2: 1-10) Na Jezus sterven op een andere berg komt God uit bij alle volken. En God sluit zijn verbond. Luister naar mijn woorden. Word wijs en handel erna. En doe het samen … verkondig met elkaar als volk Gods grote daden. Van verlossing en bevrijding door Jezus.

Een volk van priesters, verzamelt bij de berg om God te dienen.

God toont zijn heiligheid aan een heilig volk.

En het volk zegt: ja wij zullen alles doen, wat God gezegd heeft. We zullen zijn priesters onder de volken zijn.