Overdenking zondag 11 april

Psalm 111
Wet
Gebed
Vrede zij U
Johannes 20: 24 – 31
Preek
Jezus, overwinnaar
Gebed
Collecte (Kerk en Pastoriefonds)
Ga met God

 

Goedemorgen broeders en zusters en gasten, iedereen die digitaal aanwezig is tijdens deze kerkdienst of deze op een later tijdstip bekijkt. Van harte welkom in deze eredienst.

De kerkenraad heeft de volgende mededelingen voor u:

  • In deze dienst gaat ds. Pomp voor.
  • De eerste collecte is vandaag bestemd voor de kerk, de tweede voor het pastoriefonds. U kunt op de bekende manieren geven: via de Givt-app of via overschrijving.
  • Maandagavond 12 april vergadert de kerkenraad.

 

Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’), was er niet bij toen Jezus kwam. Toen de andere leerlingen hem vertelden: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’ zei hij, en daarna richtte hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam.

 

Je komt ergens binnen. En meteen lijkt iedereen je te kennen. Je voelt de blikken, je ziet het gefluister. Kijk dat is hem. Herken je dat misschien? Zo is het ook met mij. Iedereen denkt mij te kennen. Ze zeggen, dat ik een twijfelaar ben. Dat ik niet kan kiezen. En dat als steuntje in de rug voor ieder die wel eens twijfelt in zijn leven. Twijfel hoort erbij. En misschien gaat het bij mij nog wel een stukje verder. Ik ben tot een spreekwoord geworden: de ongelovige. Ik moest het eerst zien en dan geloven. Eerst voelen, dan pas zou ik het zeker weten. Nu kan je daar heel veel over zeggen. Maar laat ik het nu hierbij houden: was ik zo anders? Maria geloofde pas toen ze Jezus had gezien en haar ogen waren geopend. Johannes en Petrus zagen het lege graf. Ze snapten er eerst niets van. Ja bij Johannes brak al iets door. Maar pas echt toen Jezus aan hen verschenen was. De twee die naar Emmaüs liepen: het kwam pas tot geloof, toen ze zagen.

Ik ben een realist. Altijd al geweest. Ik denk, dat me dat het beste typeert. Neem die dag in Bethanië. Jezus wilde naar Jeruzalem. Dat zou zijn dood worden, dat was toch duidelijk. De voortekenen logen niet. We probeerden Hem er nog vanaf te brengen. Hij wilde niet. Hij moest naar Jeruzalem. Laten wij dan maar meegaan, om met Hem te sterven. Dat was mijn reactie. (Joh. 11: 16)

En Jezus had het over zijn Vader. En een huis waar Hij naar toe ging. En dat Hij ons als alles klaar was zou komen halen. En dat wij de weg daarheen wel wisten. (Joh. 14: 5). Maar we waren er nooit geweest. Waar sprak Hij over? Dus ik vroeg het Hem toen maar: hoe kunnen wij de weg weten, als we er nog nooit geweest zijn? Als we niet weten, waar U heengaat? Dat ben ik …

En toen gebeurde, waar we al die tijd al bang voor waren: Jezus werd gevangen genomen. We zagen op een afstand, hoe Hij gemarteld werd. We waren erbij toen Hij gekruisigd werd. Hij stierf daar aan het kruis. Mijn Heer. Anderen had Hij genezen. Anderen had Hij uit de dood opgewekt. Hij had ons onderwezen. We hadden er niet alles van begrepen, ook ik niet. Zo eerlijk wil ik wel zijn. En nu was Hij dood. Begraven. Dit leek het einde.

De dagen erna was ik op mezelf. Ik moest het even op me in laten werken. Nadenken wat er was gebeurd. Alle woorden, alle gebeurtenissen. En toen kwamen de eerste geruchten: Jezus zou zijn opgestaan. Hij zou weer leven. Maar hoe zou het kunnen? Dat Hij anderen weer liet leven. Ja. Maar Hij was zelf dood. Dat was toch het einde. Sommigen zeiden, dat ze Hem zelf gezien hadden. Ik was daar niet bij geweest. En dus zei ik: eerst zien, dan geloven. Is dat zo gek?

Gaat het bij Tomas wel om twijfel? Zodat je kunt zeggen: het is goed, dat je twijfelt. Kijk maar Tomas doet het ook. Maar Tomas kijkt naar de feiten. Zijn houding verschilt niet zoveel van de anderen. Het enige verschil is, dat hij de eerste keer er niet bij was.

De groep neemt hem wel op. Ze laten hem niet vallen. Ze sturen hem niet weg. Hij is er altijd bij geweest. Dus ook nu. En zo is hij er een week later wel bij.

Een week later was ik er wel bij. Een deel was opgetogen over wat ze gezien en gehoord hadden. Maar er was ook nog bezorgdheid en angst. Hoe zouden de leiders reageren? Zij die Jezus hadden laten ombrengen. Dus we hadden de deur op slot gedaan. Net als een week ervoor. Je kunt nog zulke geweldige dingen meemaken. Je angst is niet meteen verdwenen.

En dan opeens staat Jezus in ons midden. Hij toont zijn wonden. Hij nodigt me uit ze aan te raken. Ik heb het niet nodig. Hij leeft! Hij leeft! Wees niet langer ongelovig, maar gelovig. Dat hoor ik Hem zeggen. Oei. Die kwam wel hard aan. Als je met je eigen gedachten bent, daar kan je in ronddraaien. In vastzitten. Maar als je Jezus hoort zeggen: wees niet ongelovig. Het klinkt niet als een verwijt. Hij neemt het me niet kwalijk. Maar Hij spoort me wel aan. Tijd om van weg te veranderen. Geen boze woorden. Niet hoe kan je dit nu doen, je kunt je medeleerlingen toch op hun woord geloven. Nee niets van dat. Wordt gelovig. Dat is het enige. En zo kan ik ook alleen maar antwoorden: Mijn Heer, Mijn God. Dan volgen nog de woorden van Jezus: jij gelooft, omdat je gezien hebt. Zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven. En meteen zit ik weer op de berg. Daar waar Jezus onderwijs gaf. Ook toen was Hij begonnen met die woorden: zalig zijn zij. Hier voegt Hij er nog een groep aan toe: zij die niet zien en toch geloven …

En dat is precies waarom Johannes alles heeft opgeschreven: zodat wij, die niet gezien hebben en het ook niet hebben kunnen zien, toch geloven. De leerlingen zijn onze ogen en oren. Zij horen en kijken voor ons. Dat is precies hun taak. Zij moeten getuigen. Maar wil je een getuige zijn, dan heb je niets aan van horen zeggen. Dan moet je er zelf bij geweest zijn. Dat is één van de criteria voor de vervanger van Judas. Hij moet erbij geweest zijn. Paulus kan apostel worden, omdat Hij Jezus zelf in al zijn heerlijkheid gezien heeft. Wil Tomas een getuige kunnen zijn, dan moet hij het gezien hebben.

Johannes besluit zijn evangelie. Hij komt tot een slot: alles draait hierom: Jezus is de beloofde Messias. Daar is hij mee begonnen, daar wil hij ook mee eindigen. Dat is zijn slotregel. En het hoogtepunt is dan de belijdenis van Tomas even daarvoor. Hij brengt precies onder woorden waar het om gaat: mijn Heer, mijn God. Beter is het niet onder woorden gebracht. Door niemand. Door Petrus niet. Door Johannes niet, door Jacobus niet. Wel door Tomas: mijn Heer, mijn God.

En die Heer en God, is de gewonde. Is de gekruisigde. Hij toonde zijn wonden. Zover ging de Heer voor zijn schapen. Hij gaf zijn leven. Het draait niet om de woorden. Hoe belangrijk zijn woorden ook zijn. Het draait om wat Jezus aan het einde van zijn leven heeft gedaan. Zijn leven gegeven. Velen zien de woorden van Jezus nog wel als inspiratie. Daar willen ze zichzelf nog wel door laten aansporen. Daar kunnen ze over nadenken, erover kauwen. Eventueel zelfs toepassen in het leven. Velen struikelen over het kruis. En misschien nog niet eens over het kruis. Dan is het een noodlottig einde van een goed mens. Nee ze struikelen over de opstanding. Liever de woorden dan een levende Heer. Maar juist die levende Heer maakt al het verschil.

Bij alle twijfel, als alles wegvalt, wat is dan je vangnet, wat is je fundament. Waar val je op terug, waar kan je niet zonder. Eén zo’n zekerheid kan zijn: er komt een moment, dat ik zelf een keer zal sterven. En dan … je kunt denken: wat er ook zal komen, we blijven altijd samen. Of ook: wat er ook gebeurt, ik zal er altijd voor mijn kinderen zijn. Of ik zal altijd van mijn kinderen houden. Ik zal er voor mijn vader en mijn moeder zijn. God is er altijd bij. Dat kunnen ook van die zekerheden zijn.

God wil je leren: God is sterker dan de dood. Hij heeft de dood overwonnen. Dat heeft Hij door Jezus bewezen. Dat is het goede nieuws. Beter dan al de woorden van Jezus. Nou ja: hier wezen al de woorden van Jezus heen. Ze krijgen extra lading door zijn opstanding. Hier staat of valt alles mee.

Maak dit voor jezelf het fundament van je leven: Jezus is mijn Heer, mijn God. Laat dit je belijdenis zijn. En Hij is het omdat Hij is opgestaan.

Wat er dan op je afkomt is dit:

  • Blijf bij het onderwijs van de apostelen. Zij zijn voor ons de oren en de ogen geweest.
  • Heb geduld met elkaar. Zoals Jezus ook geduld heeft. Hij veroordeelt Tomas niet, maar toont zijn wonden. Kijk maar. Jezus had geluisterd en was er steeds bij geweest. Hij wist wat Tomas wilde. En Hij gaf hem er de mogelijkheid voor. Luister naar elkaar, geef elkaar de tijd en wijs elkaar dan steeds weer naar het kruis en de opstanding.
  • Kijk naar de wonden. Jezus liet zijn wonden zien. De Heer is een gewond mens, geen verheerlijkte God. Die wonden waren nodig. Die wonden dekken ook je twijfel, je ongeloof. Ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp
  • En het kruis en de opstanding is sterk genoeg, om je te dragen. Tomas weet genoeg. Hij hoeft zijn handen er niet te leggen. Als ik … nee, hij heeft geen voorwaarden meer. Geloven is voldoende. En volgens Jezus kunnen we dat. Als we bij het onderwijs van de apostelen blijven.

Daar stond mijn Heer. Hij veroordeelde me niet, maar gaf me ruimte. Het was het beste nieuws, dat ik ooit zag en hoorde. Het was het waard om verder te vertellen. En dat was wat ik deed. Met de hulp van de Geest kwam ik tot aan India aan toe. Mijn Heer, mijn God. Dat zouden meer mensen moeten zeggen.