Overdenking zondag 13 september

Votum groet
Psalm 103: 1, 7
Gebed
Matt. 18: 21-35
It is well with my soul     https://www.youtube.com/watch?v=28H44dbwHig
Overdenking
Gebed
Heer U bent mijn leven     https://www.youtube.com/watch?v=XneIY3536nI
Zegen

 

Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven. Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.” Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen.” Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’

 

Twintig jaar is het programma nu op de televisie. Het familiediner. En het heeft een aantal herkenbare ingrediënten. Ergens is er tussen familieleden een ruzie ontstaan. Sindsdien is er geen contact meer. Nu nog een laatste poging om de partijen weer bij elkaar te brengen. Ieder doet zijn kant van het verhaal. En dan gaat de limo op weg. En steeds is het spannend: stapt er iemand uit of niet. Lukt het om ze weer bij elkaar te brengen. Bij de eerste ontmoeting dan de ongemakkelijke woorden. En vervolgens gaan de camera’s uit.

Zomaar een ruzie om wat? Maar toen was het heel belangrijk. En dat is herkenbaar. Je voelde je niet gezien, je voelde je gekwetst, niet gewaardeerd. Je kwam op voor jezelf, voor een ander. En toen sloeg de vlam in de pan en niemand heeft het vuurtje ooit gedoofd.

Het komt binnen families voor, maar ook binnen een gemeente. Dan ga je elkaar uit de weg, je ontwijkt elkaar. Je spreekt niet met elkaar. En je groeit bij elkaar vandaan. Terwijl dat niet de bedoeling is. Hoe goed als mensen die familie zijn, de vrede onderling kunnen bewaren. Binnen een familie deel je tijd, ruimte, maak je gebruik van elkaars kwaliteiten. Daar ben je familie voor. En dat is precies wat een gemeente ook is.

Wie is de grootste in het koninkrijk? Daar is het allemaal mee begonnen. En Jezus wijst op een kind. Dat is de grootste: een klein kind. Nog niet uitontwikkeld, een geweldige toekomst voor zich, onbevangen, vol onschuld. De groten kunnen er druk mee zijn: wat is mijn positie, waar sta ik. Dat is voor een kind minder belangrijk. En daar wijst Jezus op. Het gaat er niet om wat je gepresteerd hebt, wat je voor elkaar gekregen hebt, waar je bij bent geweest of getuige van bent geweest. Binnen het koninkrijk van God gelden andere regels.

Maar breng die kleinen dan niet ten val. Breng ze niet op een dwaalspoor. Spreek daar elkaar op aan. Wat past er wel binnen het koninkrijk en wat hoort er niet. Wat kan God waarderen en waar is God kwaad om. Bedenk dat. Juist ook binnen de gemeente. Daar hoor je elkaar op aan te spreken. Met liefde maar tegelijk ook beslist. Want het gaat ergens om, als anderen door jouw gedrag, woorden aan het dwalen raken.

Binnen de gemeente delen we tijd en ruimte. Je maakt gebruik van elkaars kwaliteiten. Oud neemt jong bij de hand. En jong stelt oud indringende vragen. Wie is God, wie is Jezus, waarom is de Geest zo belangrijk. Het zal je om het koninkrijk en de regels van het koninkrijk moeten gaan. Niet vanwege die regels, maar vanwege God de Vader die erachter staat.

In dit leven met God, gericht zijn op Jezus, je laten leiden door de Geest moet je jezelf oefenen. En dat kan je nu precies met elkaar doen. Met z’n tweeën, of met z’n drieën of met nog meer. Luisteren naar de woorden van Jezus, daarover nadenken. En het dan in de praktijk brengen.

En als je tijd en ruimte met elkaar deelt, dan loop je ook de kans, dat er iets mis gaat. Juist om wie we zijn als mensen. Niet automatisch gericht op het koninkrijk. We kunnen niet leven op de cruise-control. Daar hebben we in het leven allemaal ervaring mee.

Maar als ik iemand binnen de gemeente aanspreek, hoe vaak moet ik dan vergeven? Nu zijn we bij de vraag van Petrus. Die vraag naar vergeving is namelijk geen algemene vraag. Het is niet bedoeld om alles maar met de mantel van de liefde te bedekken. Alsof binnen het koninkrijk alles geoorloofd is. Juist niet. Maar als je iemand hebt aangesproken en die heeft geluisterd en hij of zij zegt: je hebt gelijk, ik moet het anders doen. Dan is er de plicht om te vergeven.

De plicht, omdat je zelf ook van vergeving moet leven. Dat is de lucht, die jezelf ingeademd hebt. Niet om voor jezelf te houden, maar juist ook weer uit te delen. Het is net als met de liefde en de gaven die je van God gekregen hebt. Die heb je niet voor jezelf, die heb je gekregen om van te delen. En zo is het met vergeving ook. Gekregen om te delen.

Daar gaat het Jezus om. Binnen het hemelse gezin moet het regel zijn om elkaar aan te spreken, aanspreekbaar te zijn en elkaar dan te vergeven en zo weer samen verder te kunnen. Omdat je samen op weg bent naar het koninkrijk.

Het is gevaarlijk om het stuk los te knippen. Dan krijg je vragen als: moet je alles willen vergeven? En als de ander dan niet toegeeft, dat hij of zij het fout heeft gedaan, moet je dan vergeven? En als vergeven de regel is, zelfs plicht, is dat niet het recept om veel zo niet alles in de doofpot te stoppen of onder het tapijt te vegen. Als je het leest in het verband, waarin Petrus deze vraag stelt, dan vallen deze zaken weg. Dan ben je eerst de weg van het aanspreken gegaan, dan heb je zelfs misschien al iemand buiten de gemeente geplaatst. Dan is er dus geen sprake van doofpot of tapijt. Dat kan niet.

Maar hoe moeilijk is dit.

Volgens mij ontwijkt zij mij. Ze moet niets van me hebben. Laatst nog. Ik kwam eraan lopen en opeens liep ze aan de andere kant van de straat. Kijkend naar de vensters. Alsof die zo interessant zijn. En is het je opgevallen? Ze zal nooit zwaaien. Er kan nooit een lach af, als ik er ook ben. Wat denk je, zou ze over mij kletsen met haar vriendinnen? Denk het wel. Hoe belachelijk dat niet is, en dat dit stom is. Dan gaat het over wat ik in mijn vrije tijd doe of juist niet doe. Maar moet je horen wat ze zelf laatst deed. Het was op Insta of op Snap. Nou het sloeg echt helemaal nergens op. Heb je het ook gezien? En wat ze zei, dat sloeg ook echt helemaal nergens op. Dat vind jij toch ook?

Ik denk dat het zo vaak gaat. Ik merk het bij mezelf. Gedachten over een ander, checken bij vrienden. En daar blijft het vaak bij. Niet elkaar meenemen. Niet met elkaar delen. En dat is wat Jezus tegen ons zegt. Als je het leven met elkaar deelt, dan deel je ook de vergeving met elkaar. Niet door over elkaar te spreken, maar juist met elkaar. Laten we daar een begin mee maken.