Overdenking zondag 25 juli

Votum
Lied Lopen op het water
Gebed
Lezen Mattheüs 14 : 28-31
Lied Stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God
Preek van Ds. Tonny Nap uit Drachten  “In hetzelfde schuitje”.
Lied Hij is erbij
Gebed
Collecte
Lied Gezang 161
Zegen

 

Petrus antwoordde: ‘Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’ Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’

 

Dit staat boven de preek: In hetzelfde schuitje.
Maar ik neem jullie eerst even mee naar een ánder verhaal uit het evangelie, ook met water en een boot. Het gaat over ongeveer dezelfde mannen als hier, op ditzelfde meer , maar toen waren ze gaan nachtvissen en hadden ze niks gevangen. ’s Morgens had de beste stuurman van de wal geroepen dat ze het anders moesten aanpakken en toen was het gelukt. En Petrus – natuurlijk weer Petrus – had gesnapt dat het Jezus was.

… Hij bedenkt zich niet, hij trekt zijn opperkleed strak om zich heen, hij staat op, met één hand houdt hij een stag vast en hij beweegt zijn rechterbeen over de
reling en dan stapt hij overboord, en dan wandelt hij gewoon naar de kust. Kijk hem daar lopen over het water! Hij verdrinkt niet, hij hoeft niet te zwemmen, zijn kleren worden niet nat, hij heeft geeneens natte voeten, en zo komt hij aan bij de oever…

Ja? Was het zo gegaan?

Nee. We lezen iets anders [diaklik, joh 21]: ‘Simon Petrus schortte zijn bovenkleed op en sprong in het water.’ Hij liep niet over het water maar sprong erin, en zwom de honderd meter naar de kant. Misschien zeg je: nogal logisch. Want wie kan er over water lopen? Nou ja, misschien weten de kinderen dat: een spin kan het. Kijk maar. Dus een licht spinnetje kan het en die gekke gekko kon het ook. Maar ik wed dat niemand van jullie de komende vakantie op water gaat lopen. Dat kan helemaal niet.

Toch gebeurt het hier, in Matteüs 14, wel. Het is alsof we water zien branden: Pétrus loopt erover. Maar waarom deed hij later het niet nóg een keer? Had een nat pak gescheeld en een berg was, en niet te vergeten: dat strijkgoed… Durfde hij toen niet meer?

Wat moeten wij ermee? Ik denk dat er geen vader of moeder is die zegt: ‘Als mijn kind genoeg geloofles neemt, hoeft het niet meer op zwemles’. Maar waarom eigenlijk niet? Er is dat prachtig klinkend lied: ‘U leert me lopen op het water, de oceaan is weids en diep, Geest van God, leer mij te gaan over de golven, in vertrouwen U te volgen…’
Bedoelen ze dat letterlijk?
Als dát zou kunnen!
Of is het verhaal over de man die liep over het water, maar dat later zelf ook niet meer deed, niet bedoeld om ons te laten denken dat wíj het ook moeten kunnen?
Maar wat wil dit verhaal dan wel zeggen?

Eerst dit. Het lijkt wel alsof de geschiedenis zich herhaalt. Want dat meer, dat kennen we. En dat het kan spoken op dit meer, wisten we ook wel. Kijk even mee terug. Matteüs 8: Hij stapte in de boot en zijn leerlingen volgden hem. Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. Ze maakten hem wakker en riepen: ‘Heer, red ons toch, we vergaan!’ Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?’ Toen stond hij op en sprak de wind en het water bestraffend toe, en het meer kwam geheel tot rust. De mensen zeiden vol verbazing: ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water hem gehoorzamen?’
De ervaring leidt tot de erkenning dat Jezus de heer over de schepping is, en de zoon van God. Precies zoals ons verhaal eindigt: ‘U bent werkelijk Gods zoon!’

Zulke verhalen moeten trouwens niet tot de conclusie leiden dat ons nooit iets ergs kan overkomen en dat in ons leven de stormen altijd luwen en de zee vlak als een spiegel wordt. Het wordt wel beweerd. ‘Als je maar gelooft, als je écht gelooft, dan komt het goed, of gaat het wel beter.’ Maar pas goed op met wat je als boodschap uit zulke verhalen haalt. Wij leren onze kinderen liederen aan als ‘Je hoeft niet bang te zijn als de storm tekeer gaat’. Maar daarmee brengen we ze niet bij dat het altijd wel goed komt. Want soms komt het niet goed. En wat heb je je kinderen dan wijsgemaakt? Hoe moet een kind dat dacht: ‘Als Jezus er is, kan me niks overkomen’, hoe moet het op hem blijven vertrouwen als de wereld wél instort? Hoeveel stormen steken niet op in het leven, ook van gelovige kinderen van God?

Bedenk dan dat hier niet beloofd wordt dat er nooit iets ergs gebeuren zal, of dat ellende altijd overwaait. Jezus belooft iets anders. Als je hem trouw blijft volgen, als je doet wat hij zegt, dán geldt de belofte dat hij je niet zal laten vallen, maar dat je gaat overleven in het schuitje van zijn belofte. Hij belooft dat hij er is en zal zorgen dat je aankomt in de veilige haven van Gods koninkrijk en onderweg dáárheen niet verongelukken zult. Dat is iets anders dan de garantie dat je geen ongeluk krijgt, of dat je vaarwater altijd rustig blijft. Dat belooft Jezus nergens en dat moeten wij onze kinderen dus niet wijsmaken. Zo van: ‘Als je maar bidt, komt alles goed.’ Dat niet. Maar wel: als we ons aan Jezus toevertrouwen en doen wat hij van ons vraagt, laat hij ons nooit vallen, en zorgt hij ervoor dat we thuiskomen bij zijn en onze vader.
Je leert hier dus niet dat je nooit meer bang zult zijn. En o, wat kan ik bang zijn! Jezus zegt trouwens ook niet: ‘Mensen, er is geen enkele reden om bang te zijn.’ Hij zegt wel: zorg ervoor dat je niet laf wordt. En laf is wat anders dan bang. Als je laf bent verlaat je je post; je wordt ontrouw en slaat op de vlucht. Je kunt bang zijn en toch trouw blijven.

Goed, dan zijn we nu in Matteüs 14 – weer op het meer, en weer spookt het daar, en weer is er paniek. Maar toch zien we ook verschil. Jezus doet nooit zomaar twee keer achter elkaar hetzelfde. Hij had nu zijn leerlingen opdracht gegeven met de boot naar de overkant te gaan. En zelf ging hij niet direct met hen mee. Eerder dus wel, nu niet. ‘Hij gelastte de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant’, hij zou later volgen…

Als ze dan midden in de nacht in zwaar weer komen en de golven de boot teisteren, is Jezus niet meer zó dichtbij als eerder. Hij blijft op de achtergrond en laat hen de hele nacht ploeteren. Uren later zoekt Jezus hen op, maar dan zijn ze zo bevangen door angst dat ze hem niet herkennen. Ze denken dat ze een spook zien en worden nog benauwder. Dat kun je ook omdraaien: als je bang bent, ga je overal spoken zien.

Maar ik snap dit wel. Jezus wil ze hier echt iets léren. Iets wat je alleen in de praktijk kunt leren. Ze kunnen thuis honderd keer de woorden opzeggen: ‘Ik hoef niet bang te zijn’, of: ‘Jezus is de Heer’. Er móet een moment komen dat ze dat in het echt ondervinden. Daarom had hij gezegd: ‘Gaan jullie alvast, ik kom straks.’ Dat heeft iets van: na de theorie gaan ze de praktijk in. Alsof hij laat merken: ‘Eerst was ik er altijd bij, nu moeten jullie het zelf kunnen.’ Net als met fietsen. Je moeder, je vader, loopt eerst met je op, en houdt je vast. En een tijd heb je zijwieltjes. Maar het moment komt dat je moet leren het zélf te doen.

En omdat Jezus wel weet hoe moeilijk dat is en dat je dan ook best een keer zou kunnen vallen, gaat hij… bidden. ‘Toen hij hen weggestuurd had ging hij de berg op om er in afzondering te bidden’. Hij heeft natuurlijk voor die mannen in het schip gebeden! Zij moeten leren zelf om te gaan met angst en onzekerheid, als Jezus niet meer vlakbij is. Hij gaat ze dus niet meer aan het handje houden. Hij heeft kennelijk zoveel vertrouwen in hen dat hij hen laat gaan. Maar hij bidt wel!

Ik vind het beeld van de biddende Jezus sprekend. Jezus houdt mij evenmin aan het handje. Ook ik moet leren zelf vooruit te komen. Maar ik weet nu dat hij ook
voor mij bidt. Dat ik het volhou. Dat ik in praktijk breng wat hij me leerde. Dat ik vertrouw dat ik het kan: leven en niet in paniek raken. Hij bidt, dat als we in zwaar weer zitten, ons geloof niet zal bezwijken. Vind je het niet prachtig? Je kunt je nog zo alleen voelen – en dat bén je in zekere zin ook – en het kan nóg zo stormen, maar Jezus heeft er zoveel vertrouwen in dat hij ons laat gáán, het leven in, de storm door. En met zijn gebed komen we er wel!

Dat Jezus dan vervolgens zijn leerlingen toch achterop komt, is alleen maar méér een bevestiging voor ons. Als hij tegen hén zegt: ‘Blijf kalm, ik ben het, wees niet bang’, hoor ik dat tegelijk tegen mij zeggen. Ja, zo heeft hij het me geleerd: ‘Blijf kalm’.
Hij is het. Hij is er. Hij is de zoon van God.
Dat besef kan helpen. Als je Jezus volgt, moet je soms door zwaar weer. Jezus kan ons in de storm sturen en hij ruimt niet alle moeilijkheden op. Maar hij bidt
wel voor me dat m’n geloof zal standhouden. Dat je het vol zult houden in vertrouwen op Jezus, de zoon van God, en de Heer van je leven!

* * *

Goed, dan naar Petrus – natuurlijk weer Petrus. Hij zegt: ‘Heer, als u het bent, zeg dan dat ik over het water naar u toe moet komen’. Jezus zegt: ‘Toe maar’. En dan gaat het eerst goed, maar al gauw niet meer. Als Petrus niet meer op Jezus let, maar op zijn eigen gevoel (‘De wind is toch wel sterk, en het is hier heel erg diep, en ik kan niet zwemmen’), begint hij te zinken. Je vraagt je af: Wat heeft Petrus bezield? Waarom wilde hij het? En wat wilde hij eigenlijk?
Moet je zeggen dat Petrus zijn eigen angst en onzekerheid wilde overschreeuwen door ineens iets heldhaftigs te doen? Of wilde hij de anderen laten zien dat hij nú toch wel erg op Jezus vertrouwde door een huzarenstukje af te leveren? Wilde hij Jézus een demonstratie geven? Misschien zit er van alles wel wat in.
Maar achter en onder de grote woorden zat nog de twijfelaar, of beter: de ‘weinig’gelover. En als dan alsnog de paniek uitbreekt en hij begint te zinken, en hij ontdekken moet dat hij toch maar beter niet op zichzelf en op zijn eigen gelóóf moet vertrouwen, roept hij toch weer om Jézus. Heer, red me! Precies. Uiteindelijk richt hij zich, midden in zijn eigen angstige ervaring, weer op zijn Heer, en die steekt zijn hand uit en redt hem van de verdrinkingsdood.

Wat leer ik van Petrus die zelf over het water wou lopen? Volgens mij moet je dan eerst vragen: Had Jezus dat van hem gevráágd? Het antwoord is duidelijk: Helemaal niet! Jezus had gezegd: ‘Gaan jullie alvast met de boot, ik kom je achterna.’ Als hier de boodschap was geweest dat je als mens zoveel vertrouwen moet hebben dat je op water durft lopen, dan was het verhaal pas af geweest wanneer alle mannen uit het schuitje waren gestapt en over het water naar de overkant waren geschuifeld…
Maar nog eens: Dát was Jezus’ opdracht niet geweest. Petrus moest samen met de anderen alleen maar doen wat Jezus had opgedragen. Ik denk ook dat de anderen best wel raar hebben opgekeken toen Petrus dit deed. Wat hebben zij eraan de allerindividueelste expressie van Petrus’ allerindividueelste emotie mee te maken? Hier blijkt dat Jezus van ons geen demonstratieve huzarenstukjes vraagt. Het is dan ook veelzeggend dat hij, samen met Petrus, aan boord klimt en samen met de anderen per boot koers zet naar de oever.

Maar het is wel opvallend dat Jezus het Petrus eigenlijk niet kwalijk neemt en niet zegt: ‘Ben je mal, jij blijft gewoon in die boot!’ Kennelijk kan Jezus je, ook al doe je niet van die verstandige dingen, dan nog best iets leren. Soms door schade, soms door schande. Hier door opnieuw de ervaring: ‘Alleen als ik me op Jezus richt, totaal, alleen dan hou ik het vol.’ Dat is ook een les die ik trekken kan. Jezus vraagt me: ‘Ga je naar mij luisteren, en wil je mij vertrouwen?’ Niet minder, maar ook niet méér, dus. Je vergaloppeert je anders gauw. Ik geloof er dan ook niks van dat wij zulke halsbrekende toeren moeten uithalen. We moeten ons bij onze leest houden. Wees geen supergeloofsheld die iets bewijzen moet. Ga gewoon op zwemles. En volg Jezus: doe alleen wat hij vraagt.

Ik geloof er dan ook niks van dat Jezus ons opdraagt ditzelfde te doen. Dat zeg ik niet met een gevoel van opluchting, zo van: ‘Gelukkig maar, want dat kan ik niet’. Er kan op zich heel veel in Gods schepping. Ik zeg het omdat het gewone lopen, niet over water, maar over de weg van je leven en dáár overeind blijven, al pittig genoeg is. En dan zou ik óók nog moeten kunnen wandelen op water? Nee, man!
Maar omdat de gang naar je chemo-afspraak, lopen op het grind van de begraafplaats, of over de steile trap naar het spreekuur van de psychiater, of de weg naar je werk al een enorme krachtsinspanning kan zijn, leer ik ook voor díe situaties me te focussen op mijn Heer. Hij zegt tegen jou op de golven van je zorgen, angsten en aanvechtingen: ‘Wees niet bang, blijf kalm, Ik ben wel in de buurt, hoor!’ En dan kan ík zeggen: ‘Ja, hij is toch mijn schuilplaats.’

Daarom moeten wij, allemaal onderweg – niet over het water, maar – over onze eigen levenswegen, ons maar houden bij onze leest, en ons om elkaar bekommeren. Dan zitten we in hetzelfde schuitje, waar we in de storm bij elkaar schuilen. Samen in de naam van Jezus is – nou nee, niet: met elkaar opgescheept zitten, maar wel samen roeien met de riemen die we hebben, die van geloof en volhouden, en van geduld, en de tanden op elkaar.
Je zorgt voor wie nog meer aan boord is. Je stapt er niet eigenzinnig uit. Je biedt hulp aan wie bang is en vouwt jouw handen om de bevende handen van de ander
voor een eerlijk gebed. Je bent alert als iemand overboord dreigt te slaan, en je kijkt wie je (weer) aan boord kunt hijsen.
Je doet het samen in het volle vertrouwen dat de Heer toch onze schuilplaats is en ons samen naar de overzijde zal loodsen. Hij zegt immers: ‘Blijf kalm, ik ben
het, ik ben, ik ben erbij, ik zal er zijn, wees niet bang’.