Overdenking zondag 26 april

Liederen bij deze overdenking staan genoemd in de Informail van vrijdag.

In de overdenking komt ook nog het lied: stel mijn vertrouwen voor.

 

Wat er nu gebeurt, heeft niemand van ons ooit nog eerder meegemaakt. Eerst is het allemaal nieuw. En je bent nieuwsgierig wat het ons allemaal brengt. Je hebt zin in de toekomst. Laat het maar gebeuren. Het is ook best spannend allemaal. Het geeft je energie. Na een aanloopfase neem je genoegen met het nieuwe normaal. Je omarmt het. Te vergelijken met een eerste fase van een huwelijk. Maar naar mate het langer duurt, komt het verval. Het botst met je eerdere gewoonten. Je moet je aanpassen. Opeens afstand houden, geen handen meer schudden, bezoeken niet meer doen. Er komt een gevoel van heimwee. Je merkt dat je energiepeil afneemt. Je voelt druk. En het gaat op en neer. Je omarmt de verandering en duwt het van je af. Het knaagt aan je normen en waarden. Er komen allemaal vragen op je af: bijvoorbeeld, hoeveel mag een mensenleven kosten? Is een behandeling op de ic het wel waard. Sommigen zien deze tijd als een zure appel. Het is tijdelijk. Je moet er even doorheen bijten. Maar dan komt het met misschien een paar kleine aanpassingen wel weer goed. Anderen zien het als een kans, om het helemaal anders te doen. Die verre ritten kan je ook vervangen door videobellen. De file ontwijken door meer thuis te werken, is misschien toch niet zo slecht. Je hoort het ook in de politiek: helpen van bedrijven mag, maar dan wel aandringen op verduurzamen. Maar we komen er allemaal anders uit, door wat we hebben meegemaakt. Zelfs als je terug wilt naar het oude. Want dat oude, dat is er niet echt meer. Daarvoor is er teveel veranderd.

Iets daarvan was hoorbaar na de persconferentie deze week: de één is blij weer aan het werk te kunnen. De andere leraar vindt het nog te vroeg. De ene ouder is blij te zijn ontslagen als juf en meester, de andere is bang voor de mogelijke gevaren. Maar ook de boosheid bij de oudernemers. Die tak was niet genoemd, daar was geen oog voor. Hoe moet het nu verder? Wat miste was, zo luidden de commentaren: het perspectief. Iets van uitzicht. Waar gaan we heen, en langs welke route? Dat zijn de vragen. En het woord perspectief kwam ik deze week heel vaak tegen. Het deed me denken aan de geschiedenis van Israël in de woestijn. Ook daar wordt gevraagd naar perspectief. Wordt openlijk getwijfeld aan leiderschap.

L: Exodus 17: 1-7

Vanuit de woestijn van Sin trok het hele volk van Israël verder, van de ene pleisterplaats naar de andere, volgens de aanwijzingen van de HEER. Toen ze hun tenten opsloegen in Refidim, bleek daar geen water te zijn om te drinken. Ze maakten Mozes verwijten. ‘Geef ons te drinken, geef ons water!’ zeiden ze. Mozes zei: ‘Waarom maakt u mij verwijten? Waarom stelt u de HEER op de proef?’ Maar omdat het volk daar hevige dorst leed, bleef het klagen. ‘Waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd?’ zeiden ze tegen Mozes. ‘Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?’ Mozes riep luid de HEER aan. ‘Wat moet ik met dit volk beginnen?’ vroeg hij. ‘Er hoeft niet veel meer te gebeuren of ze stenigen mij!’ De HEER antwoordde Mozes: ‘Ga samen met een aantal van de oudsten van Israël voor het volk uit. Neem de staf waarmee je op de Nijl hebt geslagen in je hand en ga op weg. Ik zal je opwachten op de rots bij de Horeb. Als je op de rots slaat, zal er water uit stromen, zodat het volk te drinken heeft.’ Mozes deed dit, in het bijzijn van de oudsten van Israël. Hij noemde die plaats Massa en Meriba, omdat de Israëlieten Mozes daar verwijten hadden gemaakt en omdat ze daar de HEER op de proef hadden gesteld door te vragen: ‘Is de HEER nu in ons midden of niet?’

Ze trokken van pleisterplaats naar pleisterplaats. Van een veelbelovende plek met alleen maar bitter water naar een plek met twaalf bronnen en 70 palmbomen. Dat was nog eens een oase van rust. Eerst was er de euforie. De blijdschap: eindelijk vrij. Geen slaven meer. Wat een geweldige God hadden ze toch. Met tien slagen had Hij Egypte getroffen. Daarna farao met zijn leger verslagen. Dat was hun God. Ze omarmden het nieuwe geluk. En toen was daar de realiteit. Ging het botsen en schuren. Het gewone dagelijkse leven: zand, zand en rotsen. De onbarmhartige warmte van de zon. De koude van de nachten. Gebrek aan eten, gebrek aan drinken.

Toen was er eerst het manna gekomen. Dat was eerst veelbelovend. Je kon er prachtige koeken van bakken. Maar het hing je na een paar dagen ook wel weer de keel uit. Vlees wilden ze. Toen waren er kwartels gekomen. Veel te veel natuurlijk. Maar het was er. God liet steeds zien er nog steeds te zijn. In hun midden. Hij zorgt voor eten.

En nu is er opnieuw geen water meer. Wat is het perspectief …Ze zien het met elkaar niet. Het lijkt erop dat ze zullen sterven in de woestijn. En dus zoeken ze een zondenbok. Ze twijfelen openlijk of God wel in hun midden is en dus krijgt Mozes de volle laag. Hij moet maar voor water zorgen. Anders zullen ze hem stenigen. Stenen genoeg.

Bij het woestijnleven leef je per dag. Het is overleven. Als er geen water is, dan is het crisis. En dan vergeet je het verleden en naar voren kijken durf je niet. Dus God kan hen bevrijd hebben, wat heb je daar aan, als je keel droog is van de dorst. En Hij kan hen een land vloeiend van melk en honing hebben beloofd, maar daar koop je midden in de woestijn niets voor. Geen druppel water.

En je ziet ook meteen hoe kortzichtig ze zijn. Aan God willen ze niet denken: alles richt zich op Mozes. Die zien ze, die kunnen ze stenigen. En als Mozes hun blik wil verruimen, hebben ze daar geen boodschap aan. Dit is niet klaar met een paar kleine aanpassingen. Hier moet meer gebeuren.

Mozes moet het volk meenemen naar de rots. Daar op slaan en dan zal er water komen. Dan kan het volk weer verder. God heeft laten zien, dat Hij werkelijk voor zijn volk zorgt. Hij is in hun midden. Want Hij is: Ik zal er zijn. Deze God is te vertrouwen. Hij zorgt voor brood uit de hemel en water uit de rots. Zo heeft het volk weer toekomst. Ze kunnen verder kijken, naar het land, dat hen door deze God is beloofd.

De plek krijgt een naam: plaats van verzoeking en twist. Ze zoeken ruzie met Mozes, maar ze lijken God vergeten. Niet Mozes heeft hen uit Egypte geleid, niet Mozes is de gids. Dat is God. Als ze Mozes verwijten maken, dan maken ze God verwijten.

Maar wij kunnen het perspectief nog breder trekken. In Johannes 4 zit Jezus bij een bron. Een vrouw komt er water halen. En Jezus vraagt haar om water. Als de vrouw aarzelt, zegt Jezus: als je wist wie het aan je vroeg, je zou Hem om water gevraagd hebben. En Hij zou je water hebben gegeven, waar je nooit meer dorst van kreeg. Jezus is het levende water.

En dan zegt Paulus in 1 Korinthiërs 10: wat in de woestijn gebeurd is, dat is voor ons een voorbeeld. Een voorbeeld voor hoe het niet moet. De Israëlieten kwamen in opstand. Dat moeten wij niet doen. God was steeds in hun midden: voor hen, achter hen. Om hen te beschermen en de weg te wijzen. Ook als er nood was. En ze dronken uit de rots en zegt Paulus die rots was Christus. Ze kregen brood uit de hemel en water uit de rots: Jezus, het levende water …

Stel uw vertrouwen op de Heer uw God. Want in zijn hand ligt heel uw levenslot. Hem heb ik lief, zijn vrede woont in mij. Ik zie naar Hem op en ik weet: Hij is mij steeds nabij.

Daar gaat het hier om: is God wel in ons midden? Is God, wie Hij zegt te zijn: Ik ben erbij. Door de gebeurtenissen durfde het volk eraan te twijfelen. Zij zagen de hand van God niet meer. Het botste en het schuurde. En ze houden Mozes verantwoordelijk.

Hun bevrijding uit Egypte staat model voor de bevrijding door Jezus aan het kruis. Het is niet voor niets tijdens Pesach: het feest van de bevrijding. En als wij dan als bevrijde kinderen op weg zijn. Welk perspectief hebben we dan? Kijken we alleen naar de alledaagse dingen? Zien we ziekte, gebrek, liefdeloosheid, moeite en verdriet? Ontbreekt het ons aan “eten en drinken”? Je kunt er zomaar in verdrinken. Dan ben je moedeloos, zonder fut en energie, krijg je heimwee naar vroeger. En je kunt niet meer terug.

Of drink je uit de rots Jezus? Kom je steeds bij Hem. Tot hier heeft God ons geholpen, dan zal Hij ook nu in ons midden zijn. Hij heeft ons niet bevrijd, om ons te laten omkomen in de woestijn. Hij zal ons naar het beloofde land brengen.

Dat beloofde land is de nieuwe aarde, die zal komen. Zo ver zijn we nog niet. En dus kunnen we ons in de woestijn bevinden, waar het water soms bitter is, dan weer in overvloed aanwezig. Je waant je bijna in het paradijs. Maar je kunt er niet blijven, je moet verder en dan kan er opeens gebrek zijn.

Daag God dan niet uit. Ga niet met Hem of met zijn dienstknecht ruziën. Blijf vertrouwen. Dat doe je door naar God te kijken en je te herinneren wat Hij heeft gedaan. Door je te herinneren wat zijn naam is: Ik ben erbij. Door te kijken naar Jezus: zijn offer was en is voor jou. Jezus is het levende water. Door Hem krijg je nooit meer dorst. Dat geeft perspectief. Jouw naam wordt door God niet vergeten. Hij zal je leiden van pleisterplaats naar pleisterplaats tot je in het beloofde land bent.